vrijdag 16 oktober 2015

Bruce

Ik hou er niet van om tussen de mensen te rennen.
Dat heb ik misschien al eens eerder verteld.
Als ik tijdens het lopen anderen tegenkom ga ik me ineens druk maken over wat die anderen denken. Voor ik het weet loop ik ineens te hard (wat een ‘echte’ hardloper zou doen), wil ik te soepel lopen (ja, geloof me, dat kan echt) of probeer ik een neutraal gezicht op te zetten (waarbij mij ogen níet wanhopig staan omdat ik het niet denk te halen, mijn wangen níet knalrood zijn en er géén zweet over mijn gezicht loopt)…
Ik loop gewoon liever alleen!

En dus wandelde ik vanmorgen een eindje verder om niet over straat maar toch een bos in te rennen ook al had het geregend.
In eerste instantie leek het een goed idee. Het was al goed licht, er was geen mens te bekennen en het pad leek goed begaanbaar.

Ik begon aan mijn eerst interval. Zoals gewoonlijk zette ik een te enthousiast vaartje in maar dat kon mij niet schelen want Bruce zong mij toe dat we ‘born to run’ waren.
Op een splitsing besloot ik het ruiterpad te nemen omdat het wandelpad vol plassen lag. Aangezien het een last minute beslissing was gooide ik ineens mijn lijf elegant opzij waarbij ik bijna een echte renner uit zijn schoenen botste die achter mij bleek te lopen en wel rechtdoor wilde.
Nadat de renner binnen een mum van tijd uit het zicht verdwenen was ploeterde ik door met mijn volgende interval. En terwijl Bruce was begonnen aan de Thunder Road kwam ik mijn eerste plassen tegen.
Mijn humeur maakte een duikeling. Die eerste minuten hardlopen voelen altijd al zo zwaar en als ik dan ook af en toe door de struiken moet om de plassen te ontwijken…
Ik probeerde me weer te focussen op Bruce. Met de Badlands mee neuriënd en kreunend (ik kwam tot de ontdekking dat ik deze tekst helemaal niet zo goed ken) begon ik wat om de plassen heen te kronkelen. De lol kwam weer om de hoek kijken en slingerend en bijna dansend volgde ik het pad. Ik was zo in mijn nopjes dat ik zelfs op een zijweggetje een bergje op sprintte.

Op een volgende kruising nam ik een afslag.
In mijn ooghoek zag ik opnieuw twee renners aankomen. Even niet dansen dus! Sterker nog, ik hoorde Bruce al bijna niet meer. Hopelijk zouden die mensen mij snel inhalen en was ik weer alleen met mijn jaren 80 vriendje…
Maar ze kwamen dus niet. Ik dacht dat er geen mens in de wereld was die zo langzaam liep als ik maar kennelijk waren deze mensen van mijn niveau.

Op het moment dat ik misselijk werd, zag ik mijn vergissing pas in: Ik was zelf ineens heel hard gaan lopen. Nadat ik de mensen had laten inhalen ( die nog even vriendelijk achterom keken om mij een goede morgen te wensen) probeerde ik mezelf niet te vervloeken en zocht ik Bruce weer op.
Naarmate de intervallen elkaar opvolgden vond ik hem en mijzelf weer.

Natuurlijk kwam ik nog meer mensen tegen. Kennelijk worden honden gedurende de hele dag uitgelaten en vinden andere renners het helemaal niet erg om door de plassen te lopen.
Ik werd er wel wat makkelijker in om met anderen om te gaan.
Bij de eerstvolgende ging ik zelf te langzaam lopen (ja, ik ben tegendraads) maar de daaropvolgenden kon ik gewoon groeten en verder negeren.
Die mensen maakten het me ook wel makkelijk hoor. Ze keken helemaal niet speciaal naar mij. Er kon meestal net een groet af en verder werd je genegeerd.

Nee, dan de schapen die in de hei stonden waar ik langs liep!
Zodra ik de hoek omkwam draaiden ze als 1 schaap hun kop naar me om. Relaxed kauwend bleven ze me vervolgens aanstaren terwijl ik mijn zoveelste ‘snelle’ interval afwerkte.
Ze zeiden niks maar ik wist gewoon dat er in die kopjes van alles werd gedacht.
Zouden ze me vergelijken met andere sporters die langs kwamen? Dat ze inwendig dubbel lagen om mijn tempo? Of zou in hun ogen eigenlijk alles snel zijn?
Of zouden ze zich afvragen waarom die rare wezens toch allemaal voorbij kwamen alsof ze achterna gezeten werden?
En waarom ze dan niet al hun vier poten gebruikten wat toch zeker meer snelheid moest opleveren?
En waarom dit exemplaar niet doorhad dat ze eigenlijk helemaal niet gemaakt was om sneller te gaan dan een drievingerige luiaard?

Ineens vond ik schapen helemaal niet meer zulke leuke dieren.

Ik hou er niet van om tussen mensen te rennen.
Maar ik hou er nog minder van om tussen schapen te rennen!




dinsdag 6 oktober 2015

Hobbyclubje

Afgelopen weekend had ik met mijn hobbyclubje een fotodag.
Vooraf zag ik enorm op tegen de dag. Het idee was namelijk dat je van wildvreemde mensen foto’s zou maken. Aangezien dat nogal onbeleefd is, moest je natuurlijk wel toestemming aan ze vragen. En daar ging het voor mij dus mis…

Het idee dat ik mensen moet lastigvallen, dat ik ze moet vragen of ik zo’n enorme lens in hun gezicht mag drukken, stond me behoorlijk tegen. Waarschijnlijk heeft dat alles te maken met het feit dat ik zelf niet graag op de foto sta. Iets in de trant van “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”.

Verschrikkelijk vind ik het altijd als je net gezellig met vrienden iets aan het doen bent en iemand trekt opeens een camera uit de tas. Waar ik voorheen al mijn aandacht op mijn vrienden kon richten, is dan continue een deel van mijn brein bezig met het registreren van waar de camera is en wat ‘ie doet. Het liefst loop ik dan even naar het toilet of ga afrekenen of zo maar in de loop der jaren heb ik geleerd dat andere mensen het ook wel eens leuk vinden om míj op een foto terug te zien.
En dus blijf ik zitten wiebelen.
Probeer niet de hele tijd naar de camera te kijken wat dus niet lukt.
Lach om de grapjes die worden gemaakt met een glimlach die net niet meer echt lijkt.
En troost me met de gedachte dat ik de foto’s zelf echt niet hoef terug te kijken.

Natuurlijk kijk ik de foto’s later wel terug.
In eerste instantie zie ik dan niet meer terug hoe gezellig de omgeving was, hoe aangenaam het gezelschap, hoe leuk de bezigheid. Ik zie dan alleen nog maar alles wat ik aan mezelf niet goed vind.
(En als ik een goede dag heb verzin ik terplekke nog wat extra minpuntjes aan de hand van de foto’s.)
Gelukkig wordt dat negatieve minder naarmate ik de foto’s meer heb gezien of de tijd verstrijkt. Uiteindelijk blijft de leuke herinnering hangen en geniet ik alleen nog maar van het moois dat ik toen mocht meemaken.

Vrienden die dit lezen zullen nu wel hardop zitten te lachen. Want het stomme is dat ik zelf vaak degene ben die onverwachts een camera uit de tas haalt.
Ik roep dan altijd lachend dat het is omdat ik anderen voor wil zijn: “Ik sta er liever achter dan er voor” of “Als ik de camera vast heb, kan niemand mij er op zetten.”
Maar eigenlijk doe ik het om een andere reden.
Ik wil herinneren.
Of het nu om mooie plaatjes gaat (een bij op een bloem, een zonsondergang, een mistflard) of om lieve mensen (familie, vrienden, kinderen), ik wil ze vastleggen zodat ik het nooit meer vergeet.
Om al die momenten tot in eeuwigheid te kunnen behouden, schiet ik plaatje na plaatje.
Mocht de interne harde schijf in mijn hoofd het niet meer aankunnen, hebben we altijd de foto’s nog.

En aangezien het foto’s van anderen zijn, hoef ik me ook niet te ergeren aan onvolkomenheden.


Hoe de fotodag afliep? Het was een geweldige ervaring. Doordat we in een groep liepen accepteerden mensen gewoon dat we foto’s maakten van jan en alleman. En degenen die ik vroeg, reageerden over het algemeen heel lief. Sommigen namen zelfs de tijd om een gezellig praatje te maken over hun eigen ervaringen met foto’s maken.

En die ene chagrijnige meneer die wel ja zei maar op zo’n agressieve manier dat ik er bang van werd? We zullen er maar vanuit gaan dat hij zelf ook liever áchter de camera staat.