maandag 9 april 2018

Hummeltje, frummeltje



Afgelopen week mocht ik op bezoek bij een pasgeboren baby.
Ik zeg bewust ‘pasgeboren’ omdat dit echt nog zo’n hummeltje was. Zo’n bolletje kind dat precies met haar billetjes op de hand van mama kan hangen als ze tegen haar moeder aanligt.

Ze was precies twee weken en ze was perfect!

Iemand vroeg mij vooraf of ik het er niet moeilijk mee zou hebben om op bezoek te gaan.
Ik heb namelijk zelf geen kinderen en zal ze ook nooit krijgen.
Dat is geen keuze maar een feit.
En dat is pijnlijk.
Er zijn veel momenten dat ik het er (nog steeds) moeilijk mee heb.
Natuurlijk leer je er mee leven maar er blijven van die situaties komen dat je ineens getriggerd wordt.
Een feestdag.
Onverwachts langs een schattig rompertje lopen in een plaatselijke winkel.
Halverwege de zoveelste babyaflevering op TLC.
Als je tijdens het oppassen op je nichtje haar slaapdronken uit het ledikantje haalt.
Of gewoon ’s avonds in bed.

Soms is het een steek in je hart, soms een ik-kan-niet-meer-stoppen-huilbui.

Maar als ik op kraambezoek mag, heb ik dat dus niet.
Want als ik op kraambezoek mag, ben ik vooral heel blij voor de ouders.
Als ik op kraam bezoek mag, kan ik alleen maar vertederd naar zo’n prulletje staren.
Als ik op kraambezoek mag, gaat het niet over mij.

Dus zat ik afgelopen week te genieten van twee blije, dankbare ouders en van hun nieuwe aanwinst die de meest schattige gezichtjes kon trekken.
Ik was op bezoek met nog twee andere mensen en we hadden al een tijdje gezellig zitten kletsen over weeën, uitscheuren en babypoep toen de mama ineens vroeg of iemand het frummeltje wilde vasthouden.
De bezoeker tegenover mij begon gelijk heel blij te knikken maar keek vervolgens vragend naar mij of ik eerst wilde. Nonchalant lachend gaf ik aan dat ik haar niet vast hoefde te houden.
Terwijl de ander mij verbaasd aankeek was ik in mijn hoofd al aan het uitleggen waarom ik dat niet wilde. Het had niks te maken met mijn geschiedenis, met mijn gemis. Het ging om de ontwikkeling van dat nieuwe meisje.

Ik vind het namelijk onzin om zo’n klein mensje uit dat lekkere warme bedje te halen alleen omdat wij onszelf goed willen voelen.
Alleen omdat wij fijne stofjes in onze hersenen willen aanmaken.
En daarnaast vind ik het ook voor een kindje helemaal niet goed als het gelijk al in zoveel vreemde handen moet. Laat het eerst maar goed de veiligheid bij de eigen ouders ervaren.
En als je het kind dan eenmaal vast hebt, kan je eigenlijk ook niks anders dan kijken hoe het verder slaapt.
En genieten van de warmte.
En zelf rust naar haar uitstralen.
En liefde…

Terwijl het frutje in de armen van de andere bezoeker lag, slikte ik snel wat tranen weg.
Grappig toch, hoe je jezelf na zoveel jaren nog steeds voor de gek kunt houden!


De rest van de tijd was verder weer gezellig en verwarmend.
Opgelucht ging ik naar huis.
Ik geloofde niet dat de ouders last hadden gehad van mijn tijdelijke inzinking.
Want dat zou ik heel vervelend hebben gevonden.
Niet alleen omdat mensen anders misschien gaan denken dat ze mij in het vervolg ‘in bescherming’ moeten gaan nemen door me niet meer te confronteren met dit soort situaties, maar vooral omdat ik niet wil dat tijdens zo’n mooie, wonderlijke tijd de ouders moeten nadenken over ‘de andere kant’.


Ik denk dat de ouders een geweldige papa en mama zijn.
Ik weet dat ze dankbaar zijn.
Ik hoop dat ze heel veel en heel lang mogen genieten van hun gezinnetje.
Ik wens ze alle geluk en liefde met hun, nu al, indrukwekkende meisje!


Afgezaagd, ik weet het, maar daardoor niet minder waar!



Geen opmerkingen:

Een reactie posten